kont

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɔnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel, anatomie (informeel) (anatomie) billen, achterwerk
    Hij zat de hele dag op z'n kont en deed niets.
    Maar Albert was geen vlug type, alles kostte bij hem tijd. En al heel snel was daar Cécile geweest, hij was meteen hartstochtelijk verliefd, de ogen van Cécile, de mond van Cécile, de glimlach van Cécile, en daarna uiteraard de borsten van Cécile, de kont van Cécile, hoe wil je dan aan iets anders denken. {{Aut|Lemaitre, Pierre
  2. scheepvaart (scheepvaart) de achtersteven van een schip
    De bijboot was aan de kont van het jacht vastgemaakt.

Etymologie

* In de Nederlandse betekenisverschuiving naar ‘achterste’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1741

Vertalingen

Engelsarse, ass
Franscul
DuitsHintern, Gesäß, Arsch
Spaansculo, trasero
Turkskıç, popo
Poolsdupa