konsoorten

/kɔnˈsortə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) personen die tot dezelfde groep horen, personen die iemand helpen
    Nadat er deze week wat strubbelingen ontstonden op de gemeenteraad met de partners van CD&V, had D’Haese het eventjes gehad met Uyttersprot en konsoorten.
  2. degenen die hetzelfde lot delen, personen die iemand helpen
    Cord cutting, dat is je tv-abonnement opzeggen en alleen nog kijken naar Netflix, VRT Nu, Stievie, Youtube en konsoorten.

Etymologie

* via Middelnederlands "consoorten" van Latijn "consortes" "deelgenoten", in de betekenis "medestanders" aangetroffen vanaf 1451/1500