konsoorten
/kɔnˈsortə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (pejoratief) personen die tot dezelfde groep horen, personen die iemand helpenNadat er deze week wat strubbelingen ontstonden op de gemeenteraad met de partners van CD&V, had D’Haese het eventjes gehad met Uyttersprot en konsoorten.
- degenen die hetzelfde lot delen, personen die iemand helpenCord cutting, dat is je tv-abonnement opzeggen en alleen nog kijken naar Netflix, VRT Nu, Stievie, Youtube en konsoorten.
Etymologie
* via Middelnederlands "consoorten" van Latijn "consortes" "deelgenoten", in de betekenis "medestanders" aangetroffen vanaf 1451/1500
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek