kolenzak

mannelijk (de)/ˈkolə(n)ˌzɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. slap, wat rechthoekig hulsel van jute waarin men steenkolen vervoert
    De voorkant van de veel te wijde regenjas hing tot op de grond, inderdaad als een kolenzak, even zwart en even vormeloos.
    Ze beweert dat ze de deur van de kinderkooi uit haar hengsels getrokken heeft, dat ze het eten achter de deur heeft laten staan en de deur toen heeft geblokkeerd met kolenzakken.