kokkerd

mannelijk (de)/ˈkɔkərt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een neus van grote omvang
    In de jaren 1837 tot 1839, toen Oliver Twist eerst als feuilleton en daarna in boekvorm verscheen, keek niemand daar nog van op. Dickens bedreef gewoon het alledaagse antisemitisme van zijn tijd, zoals Shakespeare dat bijna 250 jaar eerder had gedaan in De koopman van Venetië. En het was blijkbaar ook in 1948 nog acceptabel, want toen liet Alec Guinness zich als Fagin een kokkerd van een kromme neus opplakken in de beroemde, veelgeprezen verfilming van David Lean.NRC Henk van Gelder 23 juli 1999
    'Handjes gevouwen, en boven de dekens', is de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen trouwens ooit op het internaat ingepeperd, en dat kon net zo'n trauma veroorzaken als wanneer je in het aangezicht van een oude tante nooit iets mocht laten merken van haar extreem mismaakte kokkerd. Onherroepelijk brak dan de dag aan dat je haar tijdens een visite een kopje thee mocht aanbieden, en helemaal te goeder trouw vroeg: 'Gebruikt u suiker en melk in uw neus, tante?'Volkskrant 22 mei 2004
  2. iets in het algemeen dat heel groot is
    Tussen bejaarde bezoekers kijkt een jonge, boomlange kerel vol bewondering naar een gigantische rode tulp. 'Wat een beest', verzucht hij. Zijn collega's knikken. Dit zijn de tulpen van de toekomst. Pas over een jaar of tien, als gebleken is dat ze niet gevoelig zijn voor ziektes en goed groeien in de kas, zijn ze te koop in de bloemenwinkel.Het Holland Flowers Festival is voor kwekers een hoogtepunt. Tulpenkweker Arie Vriend en zijn broer Jack presenteren hier hun nieuwe soorten. Jan Bakker uit Wognum promoot zijn White Heaven. Volgens hem een 'utopie van een tulp met een kokkerd van een bloem'. Volkskrant Marie Louise Schipper 27 april 2005

Etymologie

*afgeleid van kokker

Vertalingen

Engelsbulbous nose