koepokken

/ˈkupɔkə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) ziekte bij runderen lijkend op de pokken, veroorzaakt door , gebruikt bij de vaccinatiecampagne tegen de pokken
    Edward Jenner infecteerde de zoon van zijn tuinman met koepokken om hem immuun te maken voor pokken. Daarmee ontdekte hij het pokkenvaccin, dat in de Britse industriesteden veel arbeiders het leven zou redden.
    De vaccins zijn in Nederland in het geheim op een boerderij geproduceerd. Dat gebeurde door kalveren in te spuiten met koepokken. Die zijn bij mensen niet besmettelijk, maar maken het lichaam wel immuun. Door tachtig kalveren in de rug in te spuiten met koepokken, ontstond voldoende vaccin voor 20 miljoen mensen.

Vertalingen

Engelscowpox