knutselen
/knʌtsələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaafHij knutselde graag in zijn vrije tijd.
- (inerg) met weinig hulpmiddelen construerenZij moest erg knutselen om dat kleine stukje hout op de goede plaats te krijgen.Thuis had ik een systeem in elkaar geknutseld met klittenband die de paraplu aan mijn rugzak bevestigde, waardoor ik mijn handen vrijhield voor mijn wandelstokken.
Etymologie
* In de betekenis van ‘fabrieken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1785
Vertalingen
Engelstinker
Fransbricoler
Duitsbasteln
Spaansbricolar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek