knots

mannelijk/vrouwelijk (de)/knɔts/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een stok met een dikker uiteinde
    De boze holbewoner sloeg met zijn knots op de rots.
  2. (informeel) iets groots
    Een knots van een gebouw.

Etymologie

#idioot, gek

Vertalingen

Spaansbastos, clava, porra