knol
mannelijk (de)/knɔl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) een verdikte wortelstok waarin een plant voedsel opslaat
- (groente) koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht BrassicaWe hebben gisteren een knolletje gegeten.
- (onevenhoevigen), (informeel) een veelal oud en aftands werkpaardEn [dit was] niet zomaar een knol, maar Roccinant, het paard van Don Quichot.
Etymologie
* In de betekenis van ‘vlezige wortel’ voor het eerst aangetroffen in 1515
Vertalingen
Engelstuber, turnip, jade
Franstubercule, navet, canasson
DuitsKnolle, Rübe, Gaul
Spaanstubérculo, nabo, rocín
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek