knock-out

mannelijk (de)/nɔˈkɑut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) in de vechtsport het beëindiging van een wedstrijd als gevolg van vermoeidheid, een blessure, evenwichtsverlies of bewusteloosheid
  2. uitgeteld, uitgeput
    Dit keer rookte ik twee dikke joints achter elkaar in de hoop eindelijk te ontdekken waar de magie zat. Het effect was echter dat ik binnen een paar minuten geheel knock-out in slaap viel.
  3. elektrotechniek (elektrotechniek) totale uitval van elektrische of elektronische apparatuur

Etymologie

*(samenkoppeling) van het Engelse "knock out"

Vertalingen

Spaansnocaut