knippa

mannelijk (de)/knɪˈpa/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) een fruitboom uit de zeepboomfamilie (). De langzaam groeiende boom is tot 25 m hoog en heeft een tot 1,7 m brede stam met een gladde, grijze schors en uitgespreide takken
  2. voeding (voeding) vrucht van de gelijknamige boom

Etymologie

* van kenepa, vermoedelijk teruggaand op ; cognaat met

Vertalingen

Engelsmamoncillo, quenepa, mamoncillo
Fransquenettier, quenette
Spaansmamoncillo, quenepo, mamoncillo