knippa
mannelijk (de)/knɪˈpa/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een fruitboom uit de zeepboomfamilie (). De langzaam groeiende boom is tot 25 m hoog en heeft een tot 1,7 m brede stam met een gladde, grijze schors en uitgespreide takken
- (voeding) vrucht van de gelijknamige boom
Etymologie
* van kenepa, vermoedelijk teruggaand op ; cognaat met
Vertalingen
Engelsmamoncillo, quenepa, mamoncillo
Fransquenettier, quenette
Spaansmamoncillo, quenepo, mamoncillo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek