knip
mannelijk/vrouwelijk (de)/knɪp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een knippend geluid of een knippende beweging
- (informeel) portemonneeJoviaal trok hij de knip en betaalde de rekening.
- (techniek) schuifsluiting op een deurDe dieven kwamen binnen door via de brievenbus de knip van de deur te halen.
- (materiaalkunde) zeer taaie kleisoort
Etymologie
* In de betekenis van ‘(vogel)val’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1485
Uitdrukkingen
- Geen knip voor de neus waard zijn — Niets waard zijn
- Iets in de knip hebben — Iets behaald hebben
- De hand op de knip houden — Niets of heel weinig uitgeven, zuinig zijn
- De knip trekken — Betalen voor iets
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek