knie

mannelijk (de)/kni/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
    Hij zat al maanden niet meer op de fiets als gevolg van een blessure aan beide knieën. ,,Officieel heet het overbelasting, maar concreet is het een zeurende pijn in het midden van beide knieschijven. Tubantia Roy Schriemer 08-02-19 [https://www.tubantia.nl/sport-regionaal/kniekwetsuur-houdt-schulting-uit-de-ster-van-zwolle~a1032f70/ Kniekwetsuur houdt Schulting uit de Ster van Zwolle]
    Thermalite-wandelstokken aangeschaft. Deze deden ook dienst als tentpalen, twee vliegen in een klap dus. In totaal scheelden deze multifunctionele stokken mij 350 gram aan gewicht. Ik voelde me wel een beetje bekeken met die dingen in mijn handen, ook al was er niemand om het te zien. Langzaam kreeg ik door hoe ik ze het beste kon gebruiken en merkte ik dat ze mijn knieën vooral bergafwaarts ondersteunden.
  2. kleding, metonymisch (kleding), (metonymisch) gedeelte van een kledingstuk (meestal een broek of kous) dat de knie [1] bedekt
  3. techniek (techniek) een rechthoekig omgebogen verbindingsstuk voor pijpen
  4. geologie (geologie) haakse rivierbocht
  5. scheepvaart (scheepvaart) knievormig versterkings- of verbindingsstuk

Etymologie

:: γόνυ-

Uitdrukkingen

  • De gekneusde knie niet te na gesproken
  • Door de knieën gaanHet opgeven, voor iets zwichten
  • Het gras in de knieën hebbenLast hebben van voorjaarsmoeheid
  • Iets onder de knie krijgenIets leren
  • Iets onder de knie hebbenIets geleerd hebben
  • Iets/iemand op de knieën krijgenIets/iemand verslaan
  • Iemand (God, enz.) danken op zijn blote knieën/knietjesIemand (God, enz.) heel erg dankbaar zijn
  • Met knikkende knieënGezegd van iemand die angstig of zenuwachtig is

Vertalingen

Engelsknee
Fransgenou
DuitsKnie, beherrschen
Spaansrodilla
Italiaansginocchio
Russischколено
Turksdiz
Poolskolano
Zweedsknä
Deensknæ