knickerbocker

mannelijk (de)/ˈnɪkərˌbɔkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) wijde korte broek wa
    Alleen Nancy Reagan wist er binnen het protocol nog een feest van te maken qua geldsmijterij en het inhuren van een glamoureuze modeontwerper om haar magere poppenlijfje tiptop in te pakken. In Reagans geval was dat James Galanos, hofleverancier van Diana Ross, die Nancy consequent Dynasty-waardig kleedde en slechts één keer uit de bocht vloog: toen hij Mrs. President in een met kralen opgesierde knickerbocker naar de Amerikaanse ambassade in Parijs liet gaan.Volkskrant Cécile Narinx 13 januari 2017

Etymologie

*(eponiem), van "knickerbockers", naar het personage die met zo'n broek werd afgebeeld in het boek van de Amerikaanse schrijver uit 1809, in de betekenis van ‘kniebroek’ voor het eerst aangetroffen in 1929

Vertalingen

Engelsknickers