kneuzing

vrouwelijk (de)/ˈknøzɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) een onderhuidse beschadiging van het zachte weefsel, veelal veroorzaakt door een bot voorwerp of een val
    Hij kwam er met een kneuzing vanaf; er was niets gebroken.

Etymologie

* van kneuzen

Vertalingen

Engelscontusion
Franscontusion