knapzak

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een zak waarin men proviand voor een tocht kan bewaren en meenemen
    De Losserse parochie Maria Geboorte kwam met een beeld van Maria en Overdinkel met dat van Gerardus Majella. Glanerbrug droeg een rozenkrans aan en Lonneker een knapzak aan een stok, die de pelgrimstas van Jacobus symboliseerde. De Martinus uit Losser bracht een mantel mee, die de Heilige volgens de overlevering in tweeën scheurde en deelde met een bedelaar.Tubantia 10-JULI-2011
    Als puber was ik enorm geboeid door het FKK-gebeuren en gebruikte ik mijn Tienertoerkaart hoofdzakelijk om naakstranden te bezoeken, met de bammetjes van mama en de fles Exota in de knapzak.Volkskrant Arthur van Amerongen 10 augustus 2015
    De gebroeders Josiah en Dusty Bindle maken en verkopen ‘bindles’. Een bindle herkennen we als een knapzak: een doek die wat bagage bij elkaar geknoopt houdt en over de schouder aan een stok wordt gedragen.NRC Herbert Blankesteijn 22 september 2015 https://vimeo.com/132550202

Etymologie

* In de betekenis van ‘draagzak met etenswaren’ voor het eerst aangetroffen in 1552

Vertalingen

Engelsbindle, knapsack
Spaansmochila