knak
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- kort, droog geluid van iets dat breekt (knakt)
- breuk, waarbij de delen blijven samenhangen
- beschadiging, schade
- sigaar met een knik erin en een spitse punt, bolknak
Etymologie
* In de betekenis van ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ voor het eerst aangetroffen in 1646
Vertalingen
DuitsKnacks, Sprung, Knacks
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek