kluwen

/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. los om zichzelf opgewonden hoeveelheid wol, garen enz
    Ik heb nog een kluwen rode wol, daarmee komt de trui wel af.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands clūwen, clouwen, cluen, clūwijn, ontwikkeld uit Oergermaans *klewīna-, verkleinwoord bij *klewan- ‘samengebalde massa’ (waaruit Oudnoords klé ‘steen aan weefstoel om de draden te spannen’), bij Indo-Europees *gleuh₂- ‘bolvormig voorwerp’, waartoe ook Middeliers glao, glau ‘bal’, Oudgrieks gloutós ‘bil’ en Sanskriet glāu- ‘bal, kogel’ behoren. Evenals Nederduits Kluven, Duits Knäuel en Fries kleaune.

Vertalingen

Engelsclew
Franspelote
DuitsKnäuel
Spaansovillo
Italiaansgomitolo
Deensnøgle, garnnøgle