kluiver
mannelijk (de)/ˈklœyvər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) driehoekig zeil aan de boegspriet (kluifhout) van een schip, een kluiffok
- iemand die kluift, die van lekker en veel eten houdt
- (verouderd) (beroep) (juridisch) gerechtsdienaar
Etymologie
*afgeleid van kluiven
Vertalingen
Spaansfoque
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek