kluis
mannelijk/vrouwelijk (de)/klœys/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kastSieraden bewaart men vaak in een kluis.
- een kluizenarij, een woning waar een kluizenaar verblijft
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘cel, woning van een kluizenaar’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Vertalingen
Engelssafe
Franscoffre-fort
DuitsTresor, Safe, Schließfach
Spaanscaja fuerte, cámara acorazada
Russischсейф
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek