klomp
mannelijk (de)/klɔmp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (schoeisel) schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leerIn het buitenland is het beeld van een Nederlander op klompen nog niet helemaal verdwenen.
- een vrij vormeloze hoeveelheid materiaalHij deed er een klompje boter op.
- (hockey), (schoeisel) van hard materiaal vervaardigd, beschermend schoeisel gedragen door doelverdedigers
Etymologie
* In de betekenis van ‘kluit, klont’ voor het eerst aangetroffen in 1377
Uitdrukkingen
- Een boer op klompen — Iemand die lomp, onbeschoft e.d. is
- Het op zijn/haar klompen (kunnen) aanvoelen — Van tevoren weet van iets (kunnen) hebben, er een voorgevoel van (kunnen) krijgen
- Nu breekt mijn klomp! — Ik ben stomverbaasd/verbijsterd, ik sta nu verstomd te kijken
- Zijn klompen wegbrengen — Naar huis gaan
- Zijn klompen wegzetten — (eufemisme) Sterven
Vertalingen
Engelsclog, wooden shoe, clod
Franssabot, morceau, motte
DuitsHolzschuh, Klumpen
Spaanszueco, bola, terrón
Russischсабо, ком
Zweedsträsko
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek