Kloet

mannelijk (de)/klut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vaarboom, lange stok voor het voortbewegen van een boot
    Als 't op het uiterste komt en de Koning mij noodig heeft, ziedaar, dan laat ik roer en kloet liggen en grijp mede een geweer; en God dank, er zijn er duizenden, die er net zoo over denken als ik.Arnhemsche courant 3 maart 1831
  2. bal, kogel, kloot