kloek

vrouwelijk (de)/kluk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) vrouwtje van een hoenderachtige (en dan vooral kip) die kuikens heeft, broedende hen
    Bij hoenders met pluimen op de poten gaan we deze afknippen om te voorkomen dat bij het verlaten van het nest de kloek de eieren stuk maakt.

Etymologie

* Ontwikkeld uit Middelnederlands "cloec", "cloc", verwant aan Middelnederduits klōk “behendig, vlug, verstandig, slim”, ook als ontlening in Middelhoogduits kluoc (Duits "klug"), "klókr" “verstandig, slim”. . In de betekenis van “moedig” voor het eerst aangetroffen in 1470, in de betekenis van “groot, flink” voor het eerst aangetroffen in 1602.