klit
mannelijk/vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) benaming voor planten uit het geslacht in de familie
- (plantkunde) bloemhoofdje met stekeltjes van
- verstrikte massa, kluwen (van haar)Mijn haar zit vol met klitten
- lastig persoon die men niet kwijt kan rakenWat is die vent toch een vervelende klit
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands clitte, clette ‘klit; warklomp; leem, klei’, ontwikkeld uit Oergermaans *klīþō (gen. klittaz), bij Indo-Europees *gléit-ōn (gen. *glit-n-ós), uitbreiding van de wortel *glei(H)- ‘kleven’, waarvoor zie klei. Evenals Oudsaksisch kleddo, kledda, Duits Klette en Vroegnieuwengels clithe, clithers.
Vertalingen
Engelsburdock, clinger, hanger-on
Fransbardane, crampon
DuitsKlette, Klette
Spaansbardana, lampazo, laparasa
Italiaansbardana, lappa
Portugeesbardana
Japans牛蒡
Koreaans우엉
Poolsłopian, łopuch
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek