klit

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor planten uit het geslacht in de familie
  2. plantkunde (plantkunde) bloemhoofdje met stekeltjes van
  3. verstrikte massa, kluwen (van haar)
    Mijn haar zit vol met klitten
  4. lastig persoon die men niet kwijt kan raken
    Wat is die vent toch een vervelende klit

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands clitte, clette ‘klit; warklomp; leem, klei’, ontwikkeld uit Oergermaans *klīþō (gen. klittaz), bij Indo-Europees *gléit-ōn (gen. *glit-n-ós), uitbreiding van de wortel *glei(H)- ‘kleven’, waarvoor zie klei. Evenals Oudsaksisch kleddo, kledda, Duits Klette en Vroegnieuwengels clithe, clithers.

Vertalingen

Engelsburdock, clinger, hanger-on
Fransbardane, crampon
DuitsKlette, Klette
Spaansbardana, lampazo, laparasa
Italiaansbardana, lappa
Portugeesbardana
Japans牛蒡
Koreaans우엉
Poolsłopian, łopuch