klink

mannelijk/vrouwelijk (de)/klɪŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handvat om de deur te openen of te sluiten
    Ik neem de klink vast en doe de deur open.
  2. constructie om een deur gesloten te houden
    De klink is stuk waardoor de deur steeds opnieuw openzwaait.

Etymologie

* In de betekenis van ‘kruk, pal’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelshandle, latch
Fransbouton de porte, poignée de porte, loquet
DuitsTürgriff, Klinke
Spaansasa, picaporte