kleding

vrouwelijk (de)/ˈkledɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. textiel (textiel) het textiel voor de bedekking van het lichaam
    Ik heb per ongeluk cola gemorst op mijn kleding.
    Niet iedereen trok net zo zwaar bepakt als ik de bergen over. Steeds vaker zag ik mensen met opvallend kleine rugzakken langslopen, die net als ik eten, drinken, tent en kleding nodig hadden.
    "Het is dit jaar voor eerst dat we het effect zo duidelijk zien", zegt voorzitter Rachel Heijne van Kringloop Nederland. "We zien ook dat de kwaliteit van spullen gewoon echt slecht is. Het is kleding die na een paar keer wassen kapot gaat. Die kun je niet in de kringloop verkopen.

Etymologie

* van kleden

Vertalingen

Engelsclothes, clothing, garment
Fransvêtement
DuitsKleidung
Spaansatavío, atuendo, indumentaria
Russischодежда