klaarmaken

/ˈklarmakə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) voorbereiden
    Hij was de presentatie aan het klaarmaken.
    Maar terwijl die Pieten speelgoed maken, pepernoten bakken en alles klaarmaken voor de volgende reis naar Holland, trekt Sinterklaas op zijn paard door de hoge Spaanse bergen, op zoek naar een nieuw Pietje.
  2. ov (ov) uit ingrediënten klaarmaken
    Zij hadden voor ons een heerlijke maaltijd klaargemaakt.
  3. ov, seksualiteit (ov) (seksualiteit) iemand bevredigen en tot een orgasme brengen
    Tijdens het minnespel had hij haar oraal klaargemaakt.

Vertalingen

Engelsprepare, make, bring off
Franspréparer, préparer, faire jouir
Duitsbereitmachen, herrichten, bereiten
Spaanspreparar, acondicionar, aparejar