kinderschaar

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grote groep kinderen; menigte kinderen; troep kinderen
    Om tien uur, als de kinderschaar naar huis was, gingen voor de jongelui en de volwassenen de kerstkaarsjes voor de tweede keer aan en werd er tot de ochtend gefeest.
    Op het historische spooremplacement in Haaksbergen ziet een hele kinderschaar hoe de speciaal uit Engeland overgebrachte blauwe trein met Thomasgezicht door de machinist voortgetrokken het stationnetje binnenrijdt.
  2. kleine schaar waarmee kinderen kunnen knippen