kinderlokker

mannelijk (de)/ˈkɪndərˌlɔkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die kinderen meelokt (vaak met de bedoeling hen seksueel te misbruiken)
    Het gerucht deed de ronde in de plaats, dat een onbekend persoon kinderen door het aanbieden van lekkers en geld wilde verlokken, met hem mede te gaan. Den vorigen avond had hij zulks reeds geprobeerd. Zoodra de politie dit gewaar werd, werden van het gemeentehuis kennisgevingen gezonden aan de hoofden van scholen, om de kinderen te waarschuwen met geen enkel onbekend persoon mee te gaan. De vrees voor den „kinderlokker" was zoo groot, dat de ouders hunne kinderen niet alleen op straat durfden laten gaan.

Etymologie

* Voor het eerst aangetroffen op 11 november 1912, naar aanleiding van een gebeurtenis op zaterdag 9 november in Winterswijk, zie vindplaats hieronder.