kindergoed

onzijdig (het)/ˈkindərˌɣut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) verzamelterm voor lichaamsbedekking die door mensen in de leeftijd tussen ongeveer 2 en 12 jaar wordt gedragen
    Pas na 1870, toen men oog kreeg voor het welzijn van het kind, ontstond er zoiets als speciale kinderkleding - in dezelfde periode dat de kinderbescherming werd opgericht en de kinderarbeid afgeschaft. In de nieuwe kleren, zoals morsschorten en boezeroenen, konden kinderen ongestoord spelen en vies worden, in plaats van alleen maar mooi zijn. Ze droegen eenvoudige katoenen jakjes en broeken, geborduurd met voorstellingen van ballende of 'bandelende' (een hoepel voortbewegen met een stokje) kinderen. Een aantal voorbeelden van dit laat negentiende-eeuwse kindergoed is nu te zien op de tentoonstelling Gekleed en wel.
  2. kleding, verouderd (kleding) (verouderd) verzamelterm voor linnengoed dat als lichaamsbedekking voor zuigelingen dient
    {{ouds
  3. artikelen waarmee mensen in de leeftijd tussen ongeveer 2 en 12 jaar zich kunnen vermaken
    Uit de literatuur blijkt dat halverwege de negentiende eeuw in Nederland op 5 december ‘denneboompjes’ stonden opgesteld, met ‘lekkernij en kindergoed’.
  4. juridisch, verouderd (juridisch) (verouderd) wat iemand als erfgenaam van zijn ouders toekomt
    {{ouds