Kin

mannelijk (de)/kɪn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) vooruitstekende deel van de onderkaak
    De man stond met zijn handen in zijn zakken, met gebogen schouders en zijn kin naar beneden, maar de vrouw keek omhoog naar de gespierde sater in de fontein, die in zijn hand een lege kruik had.
    Op de trail had ik eindelijk het gevoel een hippie te zijn omdat ik in een gemeenschap leefde van vrije geesten, kleurrijk en stoffig. Niemand scheerde zijn kin of oksels, bh’s bleken niet te werken onder zware rugzakken en er was een gezonde hoeveelheid vrije liefde onder de jonge garde.
tussenwerpsel
  1. (Bargoens) akkoord!, in orde!, oké!, goed!

Etymologie

*[tussenwerpsel] via van כן (ken) oorspronkelijk "aldus, zo"; later "ja" Bargoens woordenboek 20e druk (2011) Bert Bakker, Amsterdam; ; p. 63Categorie:Jiddisch-Hebreeuws in het Nederlands

Vertalingen

Engelschin
Fransmenton
DuitsKinn
Spaansbarbilla, barba, mentón
Italiaansmento
Portugeesqueixo
Japans
Koreaans
Turksçene
Poolspodbródek