kier
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een dunne openingDe deur staat op een kier.Door een kier onder de deur kwamen er steeds sneeuwvlokken naar binnen gewaaid en ik voelde mijn slaapzak langzaam vochtig worden.
Etymologie
* Leenwoord uit het Fries, in de betekenis van ‘spleet’ voor het eerst aangetroffen in 1887
Uitdrukkingen
- de deur op een kier zetten — verklaren dat iets misschien wel zou kunnen
- riek
Vertalingen
Engelscrack, crevice
Spaansgrieta, hendedura, hendidura
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek