kiepen

/ˈkipə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. laten kantelen
    Zij kiepte haar glas omver.
  2. laten vallen, neergooien
    Hij kiepte een hele lading hout op het vuur.
  3. kantelen
    Door de storm kiepte de hele tent omver.

Etymologie

*van het kippen "kantelen"