keycard

mannelijk (de)/ˈkiːkɑːrt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een plastic kaart ter grootte van een creditcard die werkt als een sleutel
    Een Groningse agent is geschorst nadat bij een inbraak zijn dienstwapen was gestolen. Dat heeft een woordvoerder van de politie maandag gemeld. De inbraak vond plaats in het huis van een collega, waar de politieman overnachtte. De agent had zijn dienstwapen niet mee naar huis mogen nemen. Behalve het wapen zijn bij de inbraak ook twee legitimaties en een keycard gestolen. De politie, die spreekt van `een onfortuinlijk incident', heeft een technisch onderzoek ingesteld naar de diefstal. NRC 6 juni 2005

Etymologie

*samenstelling uit het Engels key en card

Vertalingen

Engelskey card