ketter

mannelijk (de)/ˈkɛtər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
    De ketters werden op het marktplein levend verbrand.
  2. aanhanger van een leerstelling, die in tegenspraak is met datgene wat een bepaalde geloofsgemeenschap beschouwt als de fundamentele geloofsleer

Etymologie

*De pejoratieve term van ketter werd voor het eerst in het Nederlands door de Kartuizer Broeder Geraert gebruikt, in de betekenis van ‘die afwijkt van de geloofsleer’ voor het eerst aangetroffen in 1275 of 1276.

Vertalingen

Engelsheretic
DuitsKetzer
Spaanshereje
Italiaanseretico