kerstklok

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kerst (kerst) kerstbel, kerstversiering in de vorm van een klokje
    In de kerstboom werd een kerstklok opgehangen.
  2. kerst (kerst) een kerkklok die met kerst wordt geluid
    De kerstklokken werden op kerstavond geluid.

Etymologie

* Samenstelling van kerst en klok