kennersblik

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het oordeel van een deskundige zonder dat deze persoon een uitgebreid onderzoek heeft hoeven in te stellen
    Een andere oude man, vermoedelijk ook uit het verzorgingstehuis, liep met opvallende wijdbeensheid langs ons heen, alsof zijn benen zouden breken als hij ze dichter bij elkaar bracht. Mijn buurman keek met een kennersblik naar hem en zei: „Wie wijdbeens loopt, valt niet om.” NRC Frits Abrahams 25 juni 2009
    Later heb ik Ronnie Potsdammer nog eens op de televisie gezien. Hij droeg nu een wit schort over een gezellig dikke pens en op zijn hoofd stond een koksmuts. Hij vertelde over de Franse keuken, waarin hij kennelijk een expert was geworden. Hij roemde de smaak van truffels en proefde met een kennersblik zware Bordeaux-wijnen. Ik keek naar hem en begreep waarom het met het socialisme nooit iets is geworden. NRC Max Pam 3 mei 1991