kennen

/ˈkɛnə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) bekend, vertrouwd zijn met
    Ken je de nieuwe overburen al?
    Tijdens het koken zat iedereen elkaar continu te stangen alsof we elkaar al jaren kenden.
  2. ov (ov) door studie of oefening geleerd hebben
    Ik ken de leerstof grondig genoeg.
  3. het wel moeten ~: vaak ergens door getroffen worden
    Je hebt het de laatste maanden wel moeten kennen, zeg! Eerst die ziekte, nu weer dat ongeluk!
  4. ov (ov) iets ondervinden, doormaken, ervaren
    In de jaren tachtig kende Nederland een langdurige crisis.

Etymologie

:Oost: : kannjan

Uitdrukkingen

  • Ik kende geen els uit een eik.Ik kon geen els van een eik onderscheiden.
  • Aan de veren kent men de vogelaan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt. De kleren maken de man.
  • Aan de vruchten kent men de boomje kunt alleen iemand echt leren kennen door de dingen die doet en de manieren waarop iemand dingen aanpakt
  • Bij het scheiden van de markt, leert men de kooplui kennenals de zaken eenmaal gedaan zijn leer je iemand pas kennen
  • De kaart kennen
  • De tijd kent geen genadede tijd gaat sneller voorbij dan je denkt
  • Geen a voor een b kennen
  • Het klappen van de zweep kennenveel ervaring hebben met iets

Vertalingen

Engelsknow, be acquainted with, know
Fransconnaître, connaitre, connaître
Duitskennen, kennen
Spaansconocer, saber