kei

mannelijk (de)/kɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. brok gesteente
    Er spatte een keitje op en de voorruit barstte uiteen in gruzelementen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) iets wat in enig opzicht door en door hard of massief is
  3. informeel (informeel) iemand die bijzondere prestaties levert
    Hij is daar echt een kei in.
  4. sport, verouderd (sport) (verouderd) (voetbal) zeer krachtig schot
    Zijn kei ging centimeters naast.
  5. jongerentaal (jongerentaal) als linkerdeel van een samengesteld bijvoeglijk naamwoord om de betekenis van het rechterdeel te versterken

Etymologie

**[2] vermoedelijk naar het voorbeeld van keihard, toen dat naast een letterlijke betekenis ook figuurlijke betekenissen kreeg, vergelijk steen

Uitdrukkingen

  • op de keien zetten[1]: in armoede dakloos achterlaten

Vertalingen

Engelsrock, boulder
Poolsgłaz