kei
mannelijk (de)/kɛi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- brok gesteenteEr spatte een keitje op en de voorruit barstte uiteen in gruzelementen.
- (figuurlijk) iets wat in enig opzicht door en door hard of massief is
- (informeel) iemand die bijzondere prestaties levertHij is daar echt een kei in.
- (sport) (verouderd) (voetbal) zeer krachtig schotZijn kei ging centimeters naast.
- (jongerentaal) als linkerdeel van een samengesteld bijvoeglijk naamwoord om de betekenis van het rechterdeel te versterken
Etymologie
**[2] vermoedelijk naar het voorbeeld van keihard, toen dat naast een letterlijke betekenis ook figuurlijke betekenissen kreeg, vergelijk steen
Uitdrukkingen
- op de keien zetten — [1]: in armoede dakloos achterlaten
Vertalingen
Engelsrock, boulder
Poolsgłaz
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek