keep

mannelijk/vrouwelijk (de)/keːp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. inkeping, insnijding, kerf met betrekkelijk wijde opening
  2. zangvogels (zangvogels) een trekkende zangvogel uit de familie van vinkachtigen () met een wat nasale raspende lokroep, een witte stuit en een donkergrijze kop, waarvan het mannetje de oranjekleurige schoudervlek en borst heeft, en die broedt in Scandinavië en Noord-Rusland

Etymologie

* [2] Herkomst onbekend. Verwant aan Duits Kepf ‘roofvogel’.

Vertalingen

Engelsnotch, brambling
Franspinson du Nord
DuitsBergfink
Spaansentalladura, pinzón real
Italiaanspeppola
Portugeestentilhão-montês
Poolsjer
Zweedsbergfink
Deenskvækerfinke