kat
mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (roofdieren) bepaald soort zoogdier, , tot de katachtigen behorende soort die tam is geworden
- (roofdieren) zoogdier dat behoort tot een geslacht van vleesetende dieren, zoals de tijgers en leeuwen
- (informeel) grote pluizige windprotectiehoes voor microfoons
- (figuurlijk) meisje dat zich vals gedraagt
- bitse terechtwijzing
- (scheepvaart) (verkorting) kleiner anker dat tot versterking van een groter anker uitgeworpen wordt
Etymologie
*[5] (verkorting) van "bekattering", in de betekenis van ‘standje’ aangetroffen vanaf 1976
Uitdrukkingen
- als een kat om de hete brij draaien
- als kat en hond zijn
- de kat bij het spek zetten
- de kat bij de melk zetten
- de kat de bel aanbinden
- de kat in het donker knijpen
- de kat op het spek binden
- de kat sturen
Vertalingen
Engelscat
Franschat
DuitsKatze, jemandem eins auf den Deckel geben
Spaansgato
Italiaansgatto
Portugeesgato
Russischкот
Chinees猫
Japans猫
Koreaans고양이
Turkskedi
Poolskot
Zweedskatt
Deenskat
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek