kassierster

vrouwelijk (de)/kɑˈsirstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) vrouw die het beheer heeft over contant geld en de kaswijzigingen bijhoudt
    De kassierster zette zonder pardon het bordje "gesloten" voor mijn neus en ging naar huis.
    Terwijl mijn broer en zijn vrienden op de brandkast achter in de bank afliepen, hield ik de mensen op de grond onder controle, vooral de kassierster die bang was geweest voor haar mantelpakje, want haar benen stonden me wel aan.
  2. beroep (beroep) (Belgisch-Nederlands) vrouw of meisje met de taak de betalingen van klanten in een winkel of amusementsbedrijf te verwerken
    Gisterenavond heeft een gemaskerde overvaller een kassierster bedreigd met een mes. Dat gebeurde in de Carrefour Market in Donk bij Herk-de-Stad.

Etymologie

*afgeleid van kassier

Vertalingen

DuitsKassiererin