kassier
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) iemand die het beheer heeft over de kas en de kaswijzigingen bijhoudtDe kassier zette zonder pardon het bordje "gesloten" voor mijn neus en ging naar huis.Hij praatte niet veel, hij kon goed uit de voeten met cijfers. Vóór de oorlog was hij kassier in een filiaal van de Banque de l'Union parisienne. {{Aut|Lemaitre, Pierre
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘kashouder’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1543
Vertalingen
Engelscashier
Franscassier
DuitsKassierer
Spaanscajero
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek