Karwij
mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑrˈwɛi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) plant uit de schermbloemenfamilie
- (plantkunde) zaden van de
- (kruid) zaden van gebruikt als keukenkruid, sterker, scherper en minder bitter van smaak is dan komijnzaad
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘specerijplant’ voor het eerst aangetroffen in 1351
Vertalingen
Engelscaraway
Franscarvi
DuitsKümmel
Spaansalcarabea, alcarahueya, alcaravea
Italiaanscarvi
Portugeesalcaravia
Chinees葛縷子
Japansキャラウェイ
Koreaans캐러웨이
Arabischكروياء
Poolskminek
Zweedskummin
Deenskommen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek