karrenwiel

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het (houten) wiel van een voertuig met twee wielen
    Het was een mooi exemplaar, afgezien van een gekneusde staart die eruitzag alsof er een karrenwiel overheen gereden was.
    De initiatiefnemers van een kunstwerk voor de vrede in België hebben na een oproep ruim tien ton oorlogsschroot ingezameld. Particulieren brachten prikkeldraad, kanonsdelen, helmen, geweren, bajonetten, golfplaten, kogels, karrenwielen, granaten en hulzen uit de Eerste en de Tweede Wereldoorlog bij elkaar.
    Een oud karrenwiel kreeg provisorisch een tweede leven als onderkomen voor vader en moeder ooie­vaar en naderhand ook enkele jongen.