karigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een (te) kleine hoeveelheid geven
    We zijn niet bepaald de Nutty Professor geweest zie ik. Sorry dat jij nootgedwongen de cashewnoten over het hoofd moest zien in je maaltijd. Ik kan me voorstellen dat deze karigheid een enorme deceptie is op een voorgenomen avondje intens genieten. Je hebt harde noten moeten kraken gisteravond, en dat is een lastige klus met slechts twee halve noten. Toch vinden we niet dat je te veel noten op je zang hebt, je hebt zelfs helemaal gelijk dat we met een handjevol noten te kort zijn geschoten. Tubantia Karen Van Eyken 19-12-15 [https://www.tubantia.nl/economie/albert-heijn-reageert-passend-op-hilarische-klacht-van-klant~a8fbed52/ Albert Heijn reageert passend op hilarische klacht van klant]
    De actie van maandag is gericht tegen de bezuinigingen. „Het Belgische volk krijgt enkel nog frieten met karigheid voorgeschoteld.” Reformatorisch Dagblad 22-12-2014 [https://www.rd.nl/vandaag/buitenland/belgische-premier-bekogeld-met-patat-1.438383 Belgische premier bekogeld met patat]

Etymologie

* afleiding van karig

Vertalingen

Engelsscantiness, meagreness