kapucijner

mannelijk (de)/ˌkapyˈsɛinər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een erwt die bruin is na koken en dan ook veel lijkt op een bruine boon
    Kapucijners zien eruit als kleine doperwten, maar de peul is paarsbruin in plaats van groen en de vruchtjes zelf zijn wat grijziger. Je dopt ze door in de punt te knijpen. Dan barsten de peulen open kun je de kostelijke inhoud er zo uitritsen. Voor een maaltje voor twee heb je al snel een kilo nodig, want na het doppen blijft er minder dan de helft van het gewicht over.NRC Janneke Vreugdenhil 8 juli 2013
    U weet natuurlijk dat ik lid ben van de BruineBonenbende, een stelletje enthousiastelingen dat publiekelijk de zegeningen roemt van de erwt, de boon, de kapucijner en verdere in peulen opgroeiende gezinsleden. Volkskrant Onno Kleyn 16 oktober 2013,

Etymologie

* In de betekenis van ‘soort van erwt’ voor het eerst aangetroffen in 1854 . De benaming verwijst vanwege de kleur naar de kloosterorde van de kapucijnen.

Vertalingen

Engelsmarrowfat pea