kans
mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑns/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- mogelijkheid dat er iets gaat gebeurenDe kans daarop is werkelijk 0,0 procent!Een vertaling uit het Noors die uit één lange zin bestaat, een uit het Tsjechisch die het derde deel is van een trilogie, en drie vertalingen uit het Engels van nogal uiteenlopende aard. Dat zijn de boeken die kans maken op de Filter Vertaalprijs 2020, zo maakt Stichting Filter vandaag bekend.Ik dacht continu aan stoppen, maar had hier zoveel voor opgeofferd en ik wist dat ik maar een keer zo’n kans zou krijgen.
- een mooie gelegenheidDit is je kans!De trail had mij in ieder geval fit gemaakt en dit wou ik thuis graag volhouden. Om niet direct terug te vallen in mijn oude gewoontes had ik me tijdens het lopen al ingeschreven voor de Amsterdamse marathon, die precies twee weken na mijn terugkomst zou plaatsvinden. Ik liep ten slotte bijna elke dag dezelfde afstand als een marathon, dus dacht ik een kansje te kunnen wagen. Een week van tevoren had ik veel hardgelopen en ik slaagde erin redelijk pijnloos mijn eerste marathon in 4 uur en 18 minuten uit te lopen.
Etymologie
* van "cance" (= "chance"), in de betekenis van ‘waarschijnlijkheid’ aangetroffen vanaf 1350 Het Picardisch cance is ontwikkeld uit het Volkslatijn (n) "cadentia" ( "cadens" “vallend, voorvallend”). Het Franse chance (ook geleend in het Duits en Engels) vertoont de verzachting van c /k/ → ch /ʃ/. Het Nederlands heeft het woord daarentegen uit het conservatievere Picardisch geleend, vandaar de k, vergelijk "kar" uit Picardisch "car" (= Frans "char") en "kasteel" uit Oudpicardisch *castel, modern "catieu" (= Frans "château").
Vertalingen
Engelschance, chance, opportunity
Franschance, chance
DuitsChance, Wahrscheinlichkeit, Chance
Spaansprobabilidad, posibilidad, probabilidad
Italiaansprobabilità, possibilità, opportunità
Portugeeschance
Russischвероятность, шанс, возможность
Japans機会, チャンス
Arabischفرصة
Poolsszansa, szansa, okazja
Zweedschanse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek