kangoeroe

mannelijk (de)/ˈkɑŋɣəru/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. buideldieren (buideldieren) benaming voor zoogdieren uit het geslacht , met korte voorpoten, lange achterpoten, een lange sterke steunstaart die hun jongen in een huidplooi op de buik mee kunnen dragen

Etymologie

*van "kangaroo", in de betekenis van ‘buideldier’ voor het eerst aangetroffen in 1774

Vertalingen

Engelskangaroo
Franskangourou
DuitsKänguruh
Spaanscanguro
Italiaanscanguro
Portugeescanguru
Turkskanguru
Poolskangur
Zweedskänguru