kaneel

/kɑˈnel/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. specerij (specerij) een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom, gebruikt als smaakmaker in vele gerechten
    Ik houd erg van kaneel.

Etymologie

*Komt van het Franse "cannelle", een verkleiningsvorm van canne (rietstengel). Dit komt op zijn beurt van het Griekse kanna (riet). Het is verwant met het Hebreeuws qane (riet) en het Arabische qanah (riet).

Vertalingen

Engelscinnamon
Franscannelle
DuitsZimt
Spaanscanela
Italiaanscannella
Portugeescanela
Russischкорица
Chinees桂皮
Japansシナモン
Koreaans육계나무
Arabischقرفة
Turkstarçın
Poolscynamonowiec
Zweedskanel
Deenskanel