kamperen
Betekenis
werkwoord
- (inerg), (kamperen) in de buitenlucht verblijven met een tentZij hadden bij een boer in de wei gekampeerd.Niet iedereen op de trail stond te trappelen om in Adamskostuum op pad te gaan, maar van de zes mensen waarmee ik die nacht had gekampeerd, deden er drie naakt hun rugzak aan.Een jaar geleden was hij op een onverharde weg in het bos aan het kamperen toen er ’s nachts een crossmotor recht over zijn tent heen was gereden.
Etymologie
* (sommigen denken dat dit woord afkomstig is van creperen)
Vertalingen
Engelscamp
Fransfaire du camping, camper
Duitscampen, zelten
Spaansacampar, campar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek